Inloggen (e-mail/wachtwoord)

Mijn Koning

Geplaatst op: 04-05-2017
door: Willem
cursist

Opdracht verhaal

Misschien komt het lege gevoel omdat we zo veel op elkaar leken. Hoe lang kenden we elkaar al niet ? Als ik terugreken kom ik op bijna tien jaar. Ik weet nog goed dat ik hem en zijn broer met mijn vrouw ging ophalen. Ergens in een buitenwijk, verdwaald in een wirwar van straten. De vriendelijke stem bleef maar onvermoeibaar roepen: ‘Bestemming bereikt.’
Net toen we besloten maar weer naar huis te rijden vonden we alsnog het huis. Een blok beton, zoals er zo veel zijn in Almere. Een vriendelijke mevrouw opende de deur waarop vaag nog een witte streep vogelpoep was te zien en maande ons snel naar binnen te komen. Ze keek daarbij spichtig achterom, alsof ze bang was iets te verliezen. In de woonkamer was het een drukte van belang. Een zurige lucht drong onze neuzen binnen. Iedere stoel die we zagen was bezet en uit beleefdheid bleven we maar in de deuropening staan.
‘Ja ze zijn met velen,’ zei de mevrouw, ‘buiten in de tuin zijn er nog meer.’
Het kon ons niet deren, want we waren niet gekomen om te zitten. Zijn broer zagen we onverstoorbaar in een hoekje op een versleten stoel liggen. Grote heldere ogen staarden ons nieuwsgierig aan, net alsof hij wist dat we voor hem kwamen. Maar waar was hij? Hoe we ook rond keken in de ruimte, we zagen hem niet.
“Ik zie u al zoeken,’ zei de mevrouw, ‘hij is nogal schuw en hij zit alleen boven. Ik ga hem wel even voor u halen.’
Uit de toon waarop ze dit zei maakten we op dat het niet gewenst was dat we met haar mee zouden gaan. Na afscheid te hebben genomen van de mevrouw reden we door de wirwar van straten met z’n vieren naar huis. Hij en zijn broer namen daarbij de hele achterbank in beslag. Ik voel mijn ogen vochtig worden als ik de spade in het natte gras steek.

Ragdolls zijn prachtige katten. Groter dan andere katten, lange haren en helder blauwe ogen die je aanstaren en je bespelen. Als je ze oppakt gaan ze hangen als een lappenpop, vandaar de naam. Ze zijn gericht op mensen en nieuwsgierig. Zijn broer ging bij aankomst dan ook gelijk op onderzoek uit. Overal liet hij met speeksel zijn geur achter: “mijn domein”. Zo niet zijn broer, hij kroop achter de bank met maar één duidelijke doel, daar de komende dagen te blijven. Wat we ook probeerden, lieve woordjes, eten, speeltjes, hij was er met geen mogelijkheid achter vandaan te krijgen. Er kwamen plannen op om hem weer terug te brengen naar de mevrouw, maar ik begreep hem wel. Zelf ben ik ook niet op mijn gemak in een omgeving met vreemden. Meestal zoek ik dan een strategisch plekje ergens in de hoek. Hoe vaak had ik al niet meegemaakt dat ik een vreemde te snel mijn vertrouwen gaf en het uiteindelijk uitliep op een teleurstellende ervaring, te vaak. Nee achter de bank, daar was het veilig.
Na een paar dagen maakte hij voorzichtig de eerste stappen in de openheid. Toen zagen we pas hoe mooi hij was. Alles aan hem was symmetrisch. De grijze en zwarte kleuren links waren exact de kleuren rechts. Elk vlekje links kwam rechts in dezelfde kleur en vorm terug. Ik heb zijn haren niet geteld, maar het zou zomaar kunnen zijn dat hij er links even veel had als rechts. Zijn ogen waren groot en lichtblauw. Maar wat vooral opviel was zijn houding. Zijn kop stak hij hoog in de lucht en hij bewoog met een altijd rechte rug. Het leek alsof hij niet liep maar schreed. Het leverde hem de bijnaam van Koning Finn op.
Met een zwaaiende beweging steek ik de spade verder in het gras, het pas geslepen blad doorklieft de pollen.

We vertrouwden elkaar en een blik in elkaars ogen zei vaak al genoeg. Samen konden we opgaan in onze eigen wereld, vaak door onze omgeving als afstandelijk ervaren. Onze gedachten slipten weg naar waar het vredig is, waar de fantasie een eigen loop krijgt, waar alles mogelijk is, waar je helemaal jezelf kan zijn en waar er geen rem is voor je gedachten. Dat konden we uren volhouden hij en ik.
Net als ik was hij het liefst buiten. Niets mooier dan genieten van de natuur, de voortgang van de seizoenen, de wind en regen op het vege lijf. Uren kon hij voor het raam zitten en naar buiten staren. Met een klaaglijk geluid liet hij weten dat hij eruit wilde, de vrijheid in , om vervolgens zijn favoriete plek in het gras op te zoeken. Met een veldmuis die zijn rust verstoorde werd onmiddellijk korte metten gemaakt.
Schooien kon hij als de beste. Als iedereen al naar bed was en ik de koelkast open deed om onze honger te stillen dan stond hij in no time bij mij. Samen genoten we dan stiekem van de boterhamworst. Later leerde ik hem eerst een knuffel te geven voordat hij wat kreeg. Hij deed dan zijn bek half open en veegde met de voorkant langs mijn wang. Daarbij voelde ik zijn te lange hoektand in mijn vel prikken.
Hoe diep moet het worden ? Ik weet het niet en haal met de spade nog meer grond naar boven, totdat ik al op het zand zit. Gele korrels rollen over de berg zwarte aarde naar beneden.

De laatste maanden veranderde hij, zag er ouder uit, sliep veel, vaak samen met zijn broer in de hondenmand. Ze lagen dan doodstil, waarbij de poten slap in de lucht hingen en de koppen schuin naar beneden alsof de nekken gebroken waren. Maar zijn tred bleef waardig als een koning, tot de avond van eerste paasdag.
‘Er is iets met Finn,’ zei mijn vrouw, ‘hij doet raar.’
Ik snelde naar hem toe, het leek of er draden aan zijn lichaam waren bevestigd die stroomstoten gaven. Zijn lange tong hing naar buiten en het kleed was vochtig van de slijm. Ik moest denken aan die fietser in Purmerend. Hij lag stuiptrekkend op de grond, het voorwiel van zijn fiets stak omhoog en bewoog nog in een rustig tempo door. Toen ik zijn hoofd optilde zag ik zijn ogen draaiden, zijn mond stond half open en slijm, heel veel slijm. Had ik niet ergens gelezen dat je zo zou kunnen stikken doordat de tong wordt ingeslikt?.
Ik trok snel zijn bek open en stak mijn vinger er in, duwde de tong opzij. Wat zocht ik, een verstopping in zijn keel, een haarbal, niets te zien. Nog maar een keer proberen, weer niets, alleen maar slijm. Ik kreeg het warm en tilde zijn kop op. Twee grote ogen staarden mij een fractie van seconden aan, de pupillen zo groot geworden, het blauw niet meer zichtbaar. We begrepen elkaar nog een laatste keer. Samen voelden we de angst, de angst om dood te gaan. Dan, die paasavond, werd zijn lichaam slap, zijn kop viel bijna uit mijn handen. Toen ik mijn oor op zijn nog warme lichaam legde hoorde ik naast het borrelen van zijn darmen geen enkel geluid meer.

Terwijl zijn broer door het raam toekijkt leg ik met mijn handen de graszoden op de plaats en maak een allerlaatste diepe buiging voor mijn Koning.


Reageer (0)