Inloggen (e-mail/wachtwoord)

Goede Vrijdag

Geplaatst op: 22-03-2016
door: Jolie Doorduin
woordenjutter

'Niets gebeurt tweemaal en niets zal tweemaal gebeuren’. Met een klap slaat ze het boek dicht. Het lijkt wel een bezwering, een heksenspreuk. Ze voelt haar hoofdhuid straktrekken, ze spant haar
schouders en perst haar lippen op elkaar. Niets gebeurt twee keer? Wat een onzin. Ze is hier nu toch ook weer?

 

Met beide handen schudt ze zonder nadenken razendsnel haar rode
krullen los en krabt over haar kriebelende hoofd. Ze gooit de bundel
met verzamelde gedichten weer op de houten vloer, zoals ze groen
beschimmeld brood in de vuilnisbak zou kwakken. Ze slaat het zurige
dekbed van zich af. In een ruk is het rafelige gordijn open en stroomt
het grijze daglicht de zolderkamer binnen. Het stroomt niet echt,
zoals zonlicht zou doen. Zonlicht is ragfijn en huppelt en danst op
het irritante af. Of je deze schemerige drap ‘licht’ zou moeten noemen
is zelfs maar de vraag. Lodderig druipt de grijze smurrie door het
besmeurde raam van de koekoek. Dat heeft ze altijd een leuker woord
gevonden dan ‘dakkapel’. Bij een kapel is de zondagse wierrookgeur
niet weg te denken en van de koekoek wordt ze blij, het liedje van
vroeger maakt haar rustig; ‘en de koekoek op het dak, zingt zijn lied
op zijn gemak’.

 

Tenminste, normaal gesproken wordt ze er rustig van. Op dit moment
voelt ze zich niet bepaald op haar gemak. Ze trekt een grove gebreide
trui over haar hoofd en snuift de geur op. Ze ademt diep in en uit.
Kippenvel verspreidt zich over haar blote benen. Ze slaat haar armen
om zich heen en wiegt langzaam heen en weer. Ze tuurt over de
weilanden, de kaarsrechte sloten. Een Mondriaanlandschap in zwartwit.

 

Een koekoek met een kachel was wel fijn geweest, bedenkt ze als
neerploft op een onderkoelde nepleren stoel. Ze plukt een joggingbroek en dikke gebreide sokken van de vloer en zucht diep. Ze begrijpt het niet. Dit is toch wat ze wilde? Hier heeft ze toch dagen, weken, het hele jaar naar uitgekeken? Waar is de bijbehorende blijheid, met als extra bonus het euforische geluksgevoel? Ze begrijpt er niets van. Ze begrijpt niets van zichzelf. Zoals gewoonlijk. Okee, misschien zit er dan toch een kern van waarheid in die stomme dichtregel. ‘Niets gebeurt tweemaal en niets zal tweemaal gebeuren’. Ook al was ze hier vorig jaar ook, en ook al was het toen ook Pasen, het was toch anders. Alle eerste keren maken nu eenmaal meer indruk dan alle keren die volgen. Zo blij als ze toen was, zo helemaal in de gloria, hoe had ze kunnen denken dat ze zich nu precies hetzelfde zou voelen?

 

Om te beginnen viel Pasen nu in maart en vorig jaar in april. Vorig
jaar was er een strak blauwe lucht, een zon met kracht. Vorig jaar was
ze blij verrast toen ze de dijk afreed en nummer twintig een schattig,
wit huisje bleek te zijn. In de wijde omtrek geen levende ziel te
bekennen, niemand om rekening mee te moeten houden. Nog voor ze was uitgestapt vloog de afgebladderde groene voordeur open en kwam Max met grote stappen naar haar toe. Zijn sterke armen drukten haar even later stevig tegen zijn hippe shirt, ze sloeg haar armen om zijn nek en kon het niet laten op en neer te springen in het knerpende grind. ‘Ik ben er! Wij zijn er! We zijn samen!’, riep ze en trommelde met haar vuisten op zijn rug. Hij tilde haar op onder haar oksels en draaide met haar in het rond zoals haar vader vroeger met haar deed. Maar toen was ze hooguit een jaar of acht en nu achtendertig. Lachend en hijgend waren ze het huisje ingestruikeld en pas drie dagen later weer naar buiten gekomen.

 

Ze zucht opnieuw. Drukt haar sproetige neus tegen het enkel glas. Ze blaast haar adem er tegenaan en tekent met haar vinger een hartje op het beslagen ruitje. Ze twijfelt of ze er de M van Max of de J van Joachim in zal zetten en probeert of ze er allebei in passen. Joachim, ze voelt een steek onder haar borst als ze aan hem denkt. ‘Nee hoor, ga jij maar lekker’, had hij gezegd, toen ze het vorige maand met hem overlegde. ‘Het heeft je vorig jaar ook zo goed gedaan, je kwam als herboren terug’. Ze wist niet wat ze moest zeggen en drukte snel een kus tussen zijn snor en baard.

 

Toen ze zich vorig jaar inschreef voor het weekend Woorden Jutten aan Zee op Terschelling, was ze nog echt van plan om te gaan. Het plan om te spijbelen kwam pas later, toen ze via Facebook steeds intensiever contact kreeg met Max, de grote liefde uit haar puberteit. Hij woonde ergens op het Friese platteland en grapte dat dat precies op de route naar Harlingen lag, waar ze boot zou nemen naar het woordenjuteiland. Of ze dan koffie kwam drinken op Goede Vrijdag? Ze vertrok een uur eerder van huis, waar Joachim haar uit bleef zwaaien tot ze de bocht om was. Ze zette Van Halen zo hard als de boxen konden hebben, ‘Why can’t this be love?’ en na een uurtje rijden hoorde ze toevallig op de radio hoe Trijntje Oosterhuis het goede voornemen van Max bezong: ‘I will never ever fall in love, with sombody elses lover’. Hoe kan iets dat zo goed voelt, fout zijn? Max was niet de eerste op wie ze stiekem verliefd werd, het was al de tweede keer dat dit haar overkwam, maar dit was anders. Bovendien was dit alleen maar een uurtje koffiedrinken.

 

In het witte huisje hing geen klok en toen ze naar haar telefoon
tastte trok Max haar aan haar voeten terug onder de dekens. Pas toen
ze bezweet en met nabonkend hart haar telefoon tussen haar bh en
jurkje uit graaide, besefte ze dat ze de boot had gemist. Ze schrok en
ging zo snel recht overeind zitten, dat ze Max in zijn gezicht raakte,
die net naar haar toe wilde buigen om haar te kussen. ‘Jezus!’ riep
hij geschrokken en hield zijn hand als een kommetje onder zijn
druipende neus. Geschrokken keek ze naar het bloed en begon toen te
lachen. Dit was absurd! Ze lag hier bij een bloedende man in bed, in
een huisje in Friesland, in de middle of nowhere, terwijl ze nu
eigenlijk van boord hoorde te stappen op Terschelling. Ze kon niet
meer stoppen met lachen. Max keek hulpeloos over de rand van zijn
hand. Giechelend ging ze in het onbekende huis op zoek naar wcpapier en propte dat onder Max’ neus. Hij schudde zijn hoofd, maar zijn ogen twinkelden. Hij greep haar blote schouder en trok haar tegen zijn haarloze borst. Blijheid stroomde vanuit haar voeten omhoog, liet haar hele lijf tintelen. Ze voelde zich los, los van alle verplichtingen, verwachtingen en verdere onzin. Toen het bloeden was gestopt belde ze Nanda Huneman, een van de begeleidsters van het schrijfweekend en vertelde met haar sipste stem dat ze ziek was geworden. Nanda wenste haar beterschap en daarmee had ze haar laatste verplichting erop zitten. Op tweede paasdag kwam de rest van de wereld wel weer in beeld. Langzaam en voorzichtig vreeën ze verder.

 

Dit jaar heeft ze zich ook aangemeld voor het schrijfweekend, maar nu
is het anders. Ze weet al van te voren dat ze geen voet op die boot
zal zetten. Dit keer is het woorden jutten de dekmantel der liefde. Ze
heeft zelfs netjes betaald terwijl ze weet dat het weggegooid geld is.
Niets mag er op wijzen dat ze iets anders gaat doen dan schrijven en
stiltewandelingen maken door de duinen. Ze slikt en slikt nog een keer als ze Joachim in haar achteruitkijkspiegel steeds kleiner ziet
worden. Als ‘love hurts’ door de speakers schalt, draait ze de radio
uit en spreekt zichzelf in gedachten streng toe.

Vorig jaar, toen ze helemaal ontspannen thuis was gekomen op tweede paasdag, had Joachim heerlijk voor haar gekookt. ’s Avonds in bed, nadat ze zijn bekende lijf weer bovenop zich had gevoeld, hem op de bekende manier bij zich naar binnen voelde glijden, ze automatisch zijn stevige billen weer vastpakte, werd ze overvallen triestheid. Niet door spijt, maar door een beklemmende neerslachtigheid. Dit was dan de rest van haar leven. Dit was haar echte leven. Dit was het en dit zou het voor altijd zijn. Ze kon haar tranen niet tegenhouden. Toen Joachim haar zoute wangen proefde, aaide hij vertederd over haar haar. ‘Ik heb jou ook zo gemist schat’, fluisterde hij voordat hij van haar af rolde en in slaap viel. Ze veegde haar tranen weg. Toen de eerste merels begonnen te fluiten had ze haar besluit genomen. Max mocht haar vertrouwde dagelijkse leven niet verstoren. Maar nooit meer Max kon ze ook niet verdragen. Een keer per jaar zou ze willen proeven van de passie, opgaan in de tijdloosheid, zich los willen weken van het spinnenweb van plichtplegingen waarin zij aan de touwtjes trok, zich weg laten voeren door sterke armen in volledige overgave. Alleen maar om te weten dat het bestond.

 

Als ze de dijk afrijdt valt het haar op hoe scheef de hartjesluiken
eigenlijk hangen. Het grind vertoont kale plekken en de ijskoude wind
heeft er vrij spel. In de verste verte is geen bebouwing te bekennen.
Desolaat. Ook na twee keer bellen blijft de groene voordeur gesloten.
Ze pakt haar telefoon. Geen berichten van Max. Wat nu? Het is vandaag toch wel Goede Vrijdag? Nog voor ze zijn stem via de voicemail te horen krijgt, schrikt ze op van een roestige Deux Chevaux die van de dijk af komt scheuren. Haar hart slaat een slag over als hij slippend in de steentjes tot stilstand komt. Max krijgt het portier niet meteen open, maar na een beetje geduw en getrek wurmt hij zich uit de oude auto. Ze staat aan de grond genageld, met haar rolkoffertje strak naast zich. Max heeft zijn haar laten groeien. De broek die hij aan heeft zit vol vlekken en hangt iets te hoog boven zijn gebreide
sokken. Hij omhelst haar en ze ziet zijn zwarte handen. Bezorgd vraagt ze zich af of die geen vlekken maken op haar nieuwe jas. ‘Stond je hier al lang pop?’, vraagt hij zonder antwoord te verwachten. ‘Klus
liep een beetje uit. Is nog niet af. En de eigenaar komt z’n boot
morgen ophalen.’ ‘Dag Max’, ze hoort zelf hoe afgemeten het klinkt. Ze loopt achter hem aan, worstelend met de wieltjes van haar koffertje die blokkeren in het groen uitgeslagen grind. Max is al binnen en ze hoort het kletteren van servies. Ze probeert de smerige keuken en de opgestapelde vuile borden te negeren, als hij haar optilt en naar de trap brengt. Daar zet hij haar neer en lacht breed. ‘Je zult zelf naar boven moeten lopen schat, ik ben geen achttien meer, maar jij ook niet’, en hij geeft haar een tik op haar kont. Als ze niet zo wanhopig zou verlangen naar de roes van hun vorige paasweekend, had ze hem minnetjes gewezen op zijn flinke buik, maar ze rent bijna naar boven, waar hij meteen onder haar jurk begint te voelen, haar ruw uitkleedt en haar zorgvuldig uitgezochte lingerie zonder een blik waardig te gunnen van haar af pelt.

 

Het bed ruikt niet al te fris, maar zijn lippen, zijn ruwe handen,
zijn gretigheid, zijn geur, het is weer net als vorig jaar. Ze laat
zich meevoeren, alles verdwijnt, zij verdwijnt. Ze rollen over zijn
bed, in een wilde beweging slaat ze een boek van zijn nachtkastje.
‘Dat moet je lezen, geweldig!’, gromt hij hijgend in haar oor. Zijn
hand kruipt omhoog tussen haar benen. Ze lacht en hijgt, ja, is goed,
ze zou hem op dit moment alles beloven. Ja, ik lees dit boek, ja, ik
blijf voor eeuwig bij je, ja, ja, ja, als hij maar doorgaat. Veel te
snel stopt de lawine van lust. Ze hebben allebei het hoogste genot
bereikt maar vorig jaar was dat nog maar een schamele aanloop geweest.
Verbaasd kijkt ze vanuit de kussens naar hem op. ‘Ja, moppie, er moet
brood op de plank komen. Ik moet nog even terug om die boot af te
maken, maar dat duurt niet lang’. Steunend op haar ellenbogen komt ze
met haar borsten boven het dekbed uit. Hij kijkt er niet naar en hijst
zich in zijn te korte spijkerbroek. ‘Tot zo dan’, hij werpt haar
afwezig glimlachend een kushand toe. Dan roffelt hij de trap af en
hoort ze hoe zijn auto na drie keer start en met veel gerammel
wegrijdt. Ze draait zich op haar buik en laat haar armen over de rand
van het bed bungelen. Het boek dat ze in wilde passie van het
nachtkastje heeft geslagen, ligt wijdbeens op de grond. Het doet haar
denken aan de bijbel van vroeger. Die had ze bij het wakker worden
elke dag op een willekeurige bladzijde opengeslagen, en de regel die
ze dan als eerste las, zou haar voorspellen hoe haar dag zou verlopen.
Ze pakte het boek, een stevige bundel met verzamelde gedichten, en
legde haar vinger op de opengeslagen bladzijde. ‘Niets gebeurt
tweemaal en niets zal tweemaal gebeuren’. Met een klap slaat ze het
boek dicht. Het lijkt wel een bezwering, een heksenspreuk. Ze voelt
haar hoofdhuid straktrekken, ze spant haar schouders en perst haar
lippen op elkaar. Niets gebeurt twee keer? Wat een onzin. Ze is hier
nu toch ook voor de tweede keer?

 

Het hartje, de M en de J die ze in de condens op het raam heeft
getekend, ze veegt alles in één keer weg. Haar telefoon ligt naast het
bed, verstopt onder haar nieuwe bh. Ze googelt op Rederij Doeksen en
ziet dat er straks nog een boot naar Terschelling vaart. Ze verheugt
zich nu al op de stiltewandeling van morgenochtend. Ze zoekt in haar
mail een mobiel nummer op. ‘Nanda?’, haar stem klinkt schor maar
opgewekt.

 


Reageer (4)