“Lekker retro” zegt het meisje naast Top, terwijl ze naar het bier van Sander kijkt. Ongemakkelijk neemt Sander een slok. Zelfs zijn drankje valt uit de toon in dit Amsterdamse café waar het feest van Top in volle gang is. Top is een oude schoolvriend van Sander en – in de woorden van Top zelf – creator. Hij creëert. Films, romans, gedichten, schilderijen, concepten, maatschappelijke stromingen. En vanavond dus een feest. Het feest staat in teken van anarchistische positiviteit, wat diagonaal op de flyer te lezen is. Top staat achter de draaitafel en wisselt dubstep af met Chopin en hip-hop. De young creatives – ook de woorden van Top – die in het café staan, dansen moeiteloos met alle stijlen mee. Sander beweegt soms wat met zijn hoofd op het ritme van de muziek en wisselt dit af met een nu al even ongemakkelijke slok bier. Het meisje naast Top heeft inmiddels ook haar glas opgepakt.
“Ik zit echt totally in mijn gin-tonic periode,” zegt ze. “De combinatie van fris en bitter passen zó bij het huidige maatschappelijke klimaat. En mijn persoonlijke feeling daarbij.”
Met een blik van herkenning heft Top zijn glas. Sander kijkt het meisje aan. Wat is ze mooi. Haar huid heeft de kleur van karamel en elke beweging die ze maakt, voelt Sander als een briesje. Sander merkt dat zijn mond een beetje open staat. Hij moet niet blijven staren. Anders vindt ze hem naast retro ook een engerd. Het meisje neemt een slok van haar gin-tonic en zucht.
“Mijn intellect is op dit moment totaal geobsedeerd door combinaties. Combinaties die grenzen doorbreken, weet je wel. Dat kan ook niet anders, met mijn roots.” Haar woorden lichten op in het hoofd van Sander en bekleden zijn gedachten. Hoewel Sander zich van zowel de obsessies in haar intellect als haar roots geen voorstelling kan maken, luistert hij ademloos naar haar.
“Ik ben half Colombiaans en half Taiwanees en in mijn jeugd heb ik onder andere in Burkina Faso en Helsinki gewoond.” Ze zegt het alsof ze de tafel van vijf repeteert. “Al die invloeden komen samen in mij. Dat probeer ik nu in mijn poëzie te verwerken. Ik schrijf op dit moment vanuit een fascinatie voor mijn ‘ik’.”
Sander weet niet of de alcohol of de woorden van het meisje hem laten duizelen. Beelden van de ontmoeting van haar ouders, kleihutjes in Burkina Faso en het meisje wat vanuit haar ‘ik’ schrijft, schieten door zijn hoofd. Hij probeert deze gedachten in woorden te vangen, maar stamelt alleen “dat is nogal wat zeg,” wat waarschijnlijk geen obsessie in haar intellect teweeg zal brengen, maar waar wel een kern van waarheid in schuilt.
Het meisje laat iets van een beleefde glimlach zien en draait zich dan naar Top, die zijn armen in de lucht steekt alsof hij een rode loper voor zijn woorden uitrolt. “Dat is zo eigen weer” roept hij naar het meisje. “Die totale ontwikkeling die jij steeds laat zien. Amazing.”
Het meisje doet even haar ogen dicht en zegt zachtjes “I know.”
Top zet de volgende plaat op – Russische reggae – en het meisje staart met haar weloverwogen glas gin-tonic de zaal in. Een jongen beweegt wild met zijn lichaam, zodat de tatoeage op zijn arm een soort seinvlag lijkt. Hij vertelde eerder op de avond aan Sander dat de tatoeage Japans is voor ‘individu’ en hij hem heeft laten zetten op een eilandje in de South Pacific waar ze nog delen van het kuifstekelvarken gebruiken voor de inktinjecties. Aan de overkant van het café staat een vrouw die als ze lacht haar hoofd pijnlijk ver naar achter gooit. Ze draagt kleding van boombast-doeken die ze heeft gemaakt met vrouwen in een Senegalees dorpje. Dat vertelde ze Sander in een uitvoerige monoloog die alleen werd onderbroken als ze een slokje van haar absint nam.
“Fantastisch” hoort Sander Top roepen tegen een jongen in een lichtblauw kostuum met dito hoed. “Fan-tás-tisch dat ze je gedichten nu ook gaan verfilmen.”
Iedereen lijkt bezig met een creatief project, nieuwe publicatie, grensverleggende voorstelling of installatie. De anarchistische creativiteit is zo aanwezig dat deze met de twintigers meedanst. Er lijkt maar één regel te zijn en dat is doen wat je nog nooit gedaan hebt. Altijd een grens verleggen en nooit hetzelfde doen.
“En jij?” het Colombiaans-Taiwanese meisje kijkt Sander aan. “Welke ontwikkeling maak jij door op dit moment?” Sander schrikt door de plotselinge belangstelling.
“Ik doe nu… Waar ik mee bezig ben? Ik…”
“Schrijf je?” vraagt het meisje.
“Nee, dat eigenlijk niet,” zegt Sander.
“Schilderen?”
“Niet direct heel veel.”
“Film?”
“Nee. Nou ja kijken wel,” probeert Sander.
“Muziek?”
“Ook niet.”
“Beweging art?”
“Mwah nee niet echt.” Dit antwoord zal de aandacht van het meisje niet lang zal vasthouden. Sander wil niet weer iets stamelen, of Top de aandacht laten trekken. Hij luistert al de hele avond naar monologen, nu is het zijn beurt. Nonchalant neemt hij een slok van zijn biertje, als proloog voor zijn verhaal.
“Ik voetbal. Toen ik vijf was begon ik al. Ik ben nooit gescout, maar dat kwam vooral door mijn eigenzinnige techniek.” Het zelfvertrouwen van Sander maakt een sprongetje bij de vondst van ‘eigenzinnige techniek’. Sander voelt zich Top. Zijn hartslag neemt het ritme van de Russische reggae aan.
“We zijn dit seizoen met het team weer een klasse hoger gekomen. Messi zou nog iets kunnen leren van mijn pass-techniek, al zeg ik het zelf.”
Sander laat even een stilte vallen voor een lachpauze, maar het meisje vertrekt geen spier. Sander weet niet of het paniek of verbijstering is die hij in de ogen van het meisje ziet. Met haar mond een beetje open kijkt ze uit het raam naast hen. Ze lijkt haar verbazing maar net te kunnen verwerken en legt dan een hand op de arm van Sander.
“Jij bent zoekende” zegt ze alsof ze een arts is in een slecht nieuws-gesprek. Ze kijkt hem aan met een combinatie van medelijden en vastberadenheid. Dan tovert ze plotseling een iPad uit haar tasje en begint erop te tikken. Sander begrijpt dat het voortzetten van zijn voetbalmonoloog geen zin heeft en zet zijn lege glas tussen de glaasjes gin-tonic, cider en cognac. Tijd voor een sigaretje.
De Amsterdamse herfstnacht voelt goed aan. Het is bijzonder warm voor de tijd van het jaar en een aantal mensen zit zonder jas op het terras. Sander leunt tegen een muurtje en blaast de rook de nacht in. Een man gaat op de stoel naast Sander zitten en legt zijn pet, die dezelfde bruintint heeft als zijn das, zorgvuldig op het tafeltje. Uit de zak van zijn jas steekt een opgevouwen krant. Een paar tellen later komt een meisje van de bediening naar buiten en zet een glaasje jenever voor de man neer.
“Handig hoor,” zegt de man tegen Sander terwijl hij het glaasje naar zich toeschuift. “Ik ga zitten en ze zetten mijn drankje al klaar.” Tevreden nipt hij van de jenever.
“En wat als u dan iets anders wil drinken” vraagt Sander.
De man draait zich langzaam om en kijkt Sander aan.
“Maar hier kom ik toch voor.” Voor de tweede keer die avond hoort Sander dezelfde combinatie van medelijden en vastberadenheid. De man draait zich weer om en richt zich op zijn glaasje. Zoals hij dat vast al veel vaker heeft gedaan. Op dezelfde manier, op dezelfde plek.
De profetische woorden van het meisje echoën na in het hoofd van Sander. Hij voelt zich een figurant in de film van Top en zijn vrienden. Iedereen lijkt op de hoogte van het script en deze avond als professionele acteurs te hebben voorbereid. Behalve hij. Sander kijkt naar binnen en ziet het meisje staan tussen de young creatives . Velen van hen worden opgelicht door de schermen van hun iPhones, ze vormen een aureool om het meisje heen.
Dan hoort Sander het vertrouwde geluid van de Westertoren. Het is alsof de stad hem moederlijk toezingt. De man naast Sander slaat de laatste slok jenever naar binnen en schuifelt de kroeg in. Zonder naar de creatieve twentysomething individuen te kijken loopt hij naar de bar om het glaasje te betalen. Zoals elke avond.
En als Sander zijn peuk wegschiet, voelt hij het statement opkomen dat hij gaat maken. Hij haalt diep adem en loopt dan in één rechte lijn naar binnen, naar de bar.
“Zeg het maar” roept de barman bij wie hij die avond al verschillende biertjes heeft besteld.
Sander recht zijn rug en zegt uit de grond van zijn hart:
“Doe mij nog maar een keer hetzelfde, alstublieft.”