Toen ik over het hek sprong wist ik gelijk dat het fout zat. Ik voelde de pijn in mijn linkerbeen vanuit de enkel omhoogvlammen. Dat had ik nou altijd - stoer willen doen, zodat zij naar mij keek, en dan gaat het fout. Een enorme afgang waardoor ik het tegendeel bereik. Zij kijkt wel, maar meer met een soort meewarig afgrijzen. Zij, het mooiste meisje van de klas. De laatste maand voordat we na de CITO toets op een hele, hele lange zomervakantie gaan. Een zomervakantie waarin ik haar vaak had willen zien. Een zomervakantie waarin wij samen naar het zwembad hadden kunnen gaan, zo vaak we maar wilden.
Als er nog sprake is van enig evolutionair survival-of-the-fitest mechanisme vandaag de dag, dan is zeker dat jongetjes die vooral in hun hoofd denken dat ze soepel over hekken kunnen springen - maar dat in werkelijkheid niet kunnen - weinig nageslacht beschoren zal zijn. Kermend liggen dat soort jongens op de grond tijdens zomerkampen. Op de bonte avond, aan het einde van de laatste week. Voor dat soort jongetjes geen wandelingetje hand-in-hand achter de jeugdboerderij, terwijl de meester kampliedjes zingt met de anderen. Geen eerste zoen, hoe schuchter ook. Geen mooie herinnering jaren later.
Hoe anders was mijn leven gelopen als ik toen tijdens de zomer 1994 wel zonder gescheurde enkelbanden over dat houten hek was gezeild. Bewonderend had zij dan gezien hoe sportief ik kan zijn. Niet alleen maar een goed stel hersenen. Een attente jongen die alles, maar dan ook alles ziet. Ook nog een sportieveling. Een vriendje waar je mee voor de dag kunt komen. Zij, het mooiste meisje van de klas.
Ook 10 jaar later, als ik haar tegenkom tijdens een wandelingetje langs de Amsterdamse grachten op een zondagochtend in mei, voel ik enige remming, alsof het op presteren aankomt terwijl zij kijkt. Zij is nog steeds beeldschoon, een zomerjurk, gebruinde benen, sandalen, een hippe zonnebril. Eerst herken ik haar niet, maar dat duurt slechts een seconde of twee. Dan kijkt ze me uitdagend aan, en probeer ik haar blik te weerstaan. Het voelt alsof ik getest word. Ze daagt me uit, niet toeschietelijk, maar ook niet alsof ik heb afgedaan. Ik moet de eerste stap doen.
Als ik na een korte stilte een gesprekje begin, is ze minder terughoudend dan ik had verwacht. We verkennen voorzichtig de ruimte tussen ons in. Geen snelle grappen, of lose opmerkingen. Het wordt een echt gesprek. Een keer lukt het me om haar aan het lachen te krijgen. We drinken koffie, wisselen telefoonnummers uit en maken zelfs een afspraak. Drie dagen later, 'eerst een hapje uit eten en daarna zien we wel'. Het voelt heel amerikaans. Een first date. Ik kan de volgende drie dagen niet slapen.
Op de dag van de afspraak ben ik 30 minuten te vroeg in het restaurant waar we hebben afgesproken. Precies om 7 uur, als we elkaar zullen ontmoeten, krijg ik een sms'je van haar: 'Hai, er is iets tussen gekomen, kom ietsje later. Tot zo!'.
Ik haat deze tijd. Alles - maar dan ook alles - is flexibel en kan op het laatste moment anders worden. Of word ik getest, op mijn uithoudingsvermogen? Ik geloof dat ik in de verkeerde tijd geboren ben.
Ze komt die avond niet meer. Drie kwartier na het eerste sms'je, volgt het tweede bericht. 'Sta in de file, ben bang dat het niet gaat lukken, zullen we een andere keer afspreken?'.
Waarom niet even gebeld, zodat ik haar stem kan horen? Haar mooie, inmiddels volwassen stem, die zacht maar helder is. Waarom niet even gebeld om een ander moment af te spreken? Diezelfde avond nog, ik had nog best anderhalf uur op haar willen wachten. Als ik maar zeker weet dat het geen smoes is. Dat ze zich niet heeft bedacht. Dat ze zich niet opeens die laatste dag tijdens het zomerkamp herinnert.
Een week later zie ik haar fietsen op een opoe-fiets, opnieuw in zomer jurk, met haar lange blonde haar nu uitdagend in een wilde staart. Een grote zonnebril verbergt haar ogen, ze rijdt aan de overkant van het smalle grachtje. Ik kan niet ontdekken of ze mijn opgestoken hand, bij wijze van groet, heeft gezien of negeert. 'Michelle', roep ik niet al te overtuigend. Ik kijk haar na, heb de neiging ook op mijn fiets te springen, maar bedwing me. Laat haar gaan, jongen, ze moet niets meer van je hebben.
'Zo, verstrooide professor!', zegt mijn broer als ik thuis kom. We delen een piepklein appartement in de Jordaan. Zittend aan de keukentafel maken we flauwe grappen, en drinken koffie opgewarmd in een steelpannetje. 'Hallo, is there anybody home'? Ik let weer even niet op, mijn broer heeft inmiddels bezoek. 'Laat hem maar even, mijnheer de filosoof!', zegt mijn broer tegen zijn vrienden. Die grinnikken wat, maar doen niet mee aan de pesterij. Twee jaar leeftijdsverschil maakt hen nog schuchter. Ze gaan naar buiten, een balletje trappen op het schoolplein om de hoek. Ik lees de krant en rook nog wat sigaretten uit het pakje dat op tafel ligt, tot ik misselijk ben. Ik rook nooit, waarom nu opeens wel?
Die namiddag sms ik haar toch. 'Zag je fietsen op een Leidsegracht vanmorgen! Zou het zo leuk vinden toch nog een keer af te spreken, groeten Job.' Het eerste uur komt er geen response. Ik heb de moed al bijna opgegeven als mijn mobieltje piept. 'Nieuw bericht - Michelle'. Ze wil wel afspreken, die avond nog, op een groot terras langs de Amstel. Als ik erheen fiets houd ik mijn klokje goed in de gaten, en vertraag tempo. Als ik uiteindelijk fashionably late 10 minuten te laat bij het terras aan kom fietsen, zit ze met een grote groep vrienden aan een paar tafeltjes.
Weer voel ik die remming, alsof ik een prestatie moet neerzetten. Ze zwaait vrolijk naar me, staat op en loopt op een drafje naar me toe. We huggen onhandig. Daarna pakt ze mijn hand en trekt me mee naar het terras. Ze praat honderduit, ze heeft wijn op, maar o wat is ze heerlijk. Haar uitgelatenheid heeft een grappig effect op me. Ik voel me helemaal wakker, maar tegelijkertijd ook heel rustig worden. Ik luister aandachtig naar de gesprekken, observeer haar, we hebben af en toe oogcontact. Bij het afscheid kus ik haar op de wangen. Ze gaat om mijn hals hangen en kijkt me aan. 'Dag Job, lieve jongen'. Ze straalt, maar ik weet niet hoe ik verder moet.
Die avond fiets ik met een hoofd vol indrukken naar huis. Ik heb geen nieuwe afspraak met haar. Ik durfde niet. Bang om het stuk te maken, bang om voor schut te staan. Die oude schaamte, net als toen tijdens de lagere school. Het lijkt bijna alsof het pijn doet, niet in mijn enkel natuurlijk, maar in mijn buik dit keer. Ik heb twee weken niet geslapen! Ben helemaal vol van haar, maar nog niet 'man' genoeg om haar te verovereren?
'Piep', zegt mijn mobieltje als ik, terug in de Jordaan, mijn fiets op slot doe. 'Jezus Job, wat ben jij nog steeds verlegen! Zie je dan niet dat ik je leuk vind? Kom naar me toe, het is volle maan vannacht. xoxo, Michelle.'