Een missie, dat heb ik. Ik wil Amsterdam en wijde omgeving gaan redden. En dat met het carnaval…
In deze moeilijke economische tijden ga ik het ‘lossere’ karakter in het zuiden van het land eens goed bestuderen en kijken of we er hier iets mee kunnen.
In deze carnavaleske tijd kunnen we de zachte ‘g’, de ’g’ van gemoedelijk goed gebruiken.
Ik strek me nog eens uit, loop naar de zolder en trek mijn glimmende blauwe pak uit de kast, met de grote letter R op de borst.
Nu ben ik rubberen supervrouw.
Het rode capeje zwaai ik rond mijn nek. Dat is vast stap één.
Het dakraam zwaai ik open en ik zet mijn voeten schrap. Net als ik me wil afzetten en ga koersen naar het zuiden, tuimel ik naar buiten. Nog juist voordat ik neerstort, grijp ik me aan de dakgoot vast. Daarna wordt mijn val door de takken van een struik gebroken. Uiteindelijk land ik ietwat onzacht op mijn kin.
Wankelend en wauwelend ga ik met een enigszins onvaste capeslag naar het zuiden. Daar in het zuiden, daar laten ze zich toch meer gaan… dan hier in de randstad, overpeins ik onderweg. Die zuidelijke kennis heb ik straks hard nodig.
Wentelwiekend en rondtollend ga ik als een bromvlieg langs Den Bosch, richting Oeteldonk.
De optocht gaat richting lichtstad. In de hossende massa zie ik ettelijke witte Wilders pruiken, die een fraai, maar groot contrast vormen met de Obama maskers. Dan opeens knaagt er iets aan me. Die Wilders… heeft die niet ook een zachte ‘g’?
Mijn gemoedelijke gevoel krijgt opeens een scherp randje.
Op een praalwagen staat de burgmeester van Maastricht afgebeeld als een hazewindhond, die er snel vandoor moet. Nog net op de achtergrond zie ik zijn protserige vakantievilla. Populair kostuum is dit jaar het Sven Kramerpak, dat je in schreeuwerig fel oranje tegemoet blikkert. Ik scheer rakelings over het publiek heen en ik zwiep in mijn wankelende val onderweg wat Wilders pruiken af.
Mijn lip is pijnlijk, daar bijt ik op…en ik bedenk dat ook in het zuiden niet alles kits is.
Fijn zo’n capeje …. Door die plotselinge windvlaag maak ik me toch een schuiver, ik breek zowaar een stuk piepschuim van een praalwagen af. Hadden we in Amsterdam maar carnaval, dan zou het er vast wat losser aan toegaan.
Iets kan ik mij er al bij voorstellen, bij dat Amsterdamse carnaval: Richting Amsterdam worden helemaal geen carnavalshits gezongen, terwijl er toch zoveel leed valt te bezingen. Ik zie zojuist de stoet in de gapende krochten van de stad verdwijnen. Gaten die bedoeld zijn om musea en een metro-lijn te bevatten. In die carnavalsstoet draagt iedereen een toepasselijk carnavalskostuum: een verplichte gele bouwhelm, een veiligheidshesje en iedereen is getooid met een opblaasbare megaboor!
Klapwiekend met mijn capeje wend ik mijn koers, richting huis. Met mijn ontwrichte schouder vlieg ik kapseizend terug naar mijn open dakraam, waar ik hardhandig land op de zoldervloer en mijn voet verstuik. In vliegende vaart werp ik met mijn zwiepende cape en passant de hele inhoud van de zolderverdieping omver. Boeken, paperassen en cd ‘s, campingspullen, olielampen, zakken met oude kleren , werkelijk alles vliegt door de lucht.
Neen, ik wil geen supervrouw meer zijn.
Hier is geen redden meer aan!